Refractieafwijkingen

Wat zijn refractie-afwijkingen

 

Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies van het oog samenvallen. Bij het normale oog zorgen het hoornvlies en de lens in het oog ervoor, dat bij zien in de verte op het netvlies een scherp beeld ontstaat. Scherp stellen voor dichtbij gebeurt door het instellen van de ooglens. u kunt dit vergelijken met een fotocamera: door de fotolens te verstellen zorgt u ervoor dat binnenvallende stralen zo door de lens worden gebroken, dat ze precies op de film samenkomen. Uw foto wordt dan scherp.


Wanneer de sterkte van hoornvlies en ooglens niet goed in verhouding staan tot de lengte van de oogbol dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld bij het in de verte kijken niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking.

Het normale oog (zonder brekingsafwijking)


Lichtstralen vallen het oog binnen via het hoornvlies (het voorste, doorzichtige deel van uw oog) en de pupil. Vervolgens komen ze terecht bij de lens. De lens bevindt zich achter de pupil en heeft een platte bolvorm. Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies samenvallen. Bij het normale oog zorgt de breking (refractie) van het hoornvlies en de lens in het oog ervoor, dat bij zien in de verte een scherp beeld op het netvlies ontstaat. De beelden worden vervolgens, via de oogzenuw, doorgegeven aan de hersenen. Hier worden de beelden van beide ogen gecombineerd en krijgen we de ervaring die we "zien" noemen.


Het hoornvlies werkt als een lens, die zelfs sterker is dan de eigenlijke ooglens. De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën (zoals de sterkte van een vergrootglas). Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens is. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt globaal tussen de 40 en 45 dioptrieën. De ooglens breekt ongeveer 20-22 dioptrieën. Bij elkaar opgeteld, is de brekingssterkte van het hoornvlies en lens ongeveer 58-65 dioptrie.


Wat zijn refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen waarvoor brilsterkte nodig is)?

Wanneer de sterkte van het hoornvlies en de ooglens niet goed in verhouding staat tot de lengte van de oogbol dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld bij het in de verte kijken niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking. Een refractie-afwijking houdt in dat bij één of beide ogen een bepaalde fout zit in het brekingssysteem. Er ontstaat een onscherp beeld op het netvlies dat te corrigeren is met een bril of contactlenzen.


De sterkte van een willekeurige lens (bijv. een vergrootglas, hoornvlies, lens), ofwel het brekend vermogen, wordt uitgedrukt in dioptrie (D). De brandpuntsafstand van een lens is het punt waar alle evenwijdig invallende lichtstralen tesamen komen en een scherp beeld vormen. Dit wordt uitgedrukt in meters (afkorting f van focus). De omrekening is: D = 1/f. Een voorbeeld: bij een lens met een sterkte van 3 D ligt de brandpuntafstand op 33 cm (=1/3m).


De brilsterkte wordt uitgedrukt in een sferisch (S) en een cylindrisch (C) getal, de sterkte ervan in "dioptrie" (afkorting D). Deze afkortingen worden bij elke behandeling (hierna) vermeld. Een voorbeeld van een brilrecept: S -4.0 * C -3.0 as 90 graden).


Een refractie afwijking kan globaal 2 oorzaken hebben:


    * een te zwak of te sterk brekend vermogen van het oog, veroorzaakt door het hoornvlies of de lens.

    * een te korte of te lange oogaslengte (een te kort of een te lang oog).


Meestal wordt de afwijking veroorzaakt doordat het oog te lang is (bij bijziendheid) of te kort is (bij verziendheid).


Vormen van refractie-afwijkingen


Een normaal oog heeft géén refractie afwijking en dus geen brilsterkte nodig; de lichtstralen vallen precies op het netvlies. Dit wordt emmetropie genoemd. Is er wel een refractie-afwijking, dan spreken we van een ametropie. We kennen 4 vormen van refractie afwijkingen:


   1. bijziendheid (myopie, correctie met min-glazen)

   2. verziendheid (hypermetropie, correctie met plus-glazen)

   3. cylindrische afwijkingen (astigmatisme)

   4. combinaties (myopie of hypermetropie, in combinatie met astigmatisme)

   5. verschil in brilsterkte tussen beide ogen (een bijziend en verziend oog)


Prevalentie van refractie-afwijkingen (hoe vaak komt het voor)?


Definities:


Prevalentie betekent hoevaak een aandoening voorkomt in de bevolking. Ongeveer 52% van de mensen van 3 jaar of ouder draagt een bril of contactlenzen (National Health Interview Survey 1979-1980).


De prevalentie is moeilijk weer te geven omdat het erg afhankelijk is van o.a.:

- de leeftijd (en bevolkingsopbouw)

- de omgeving en regio (verschillen tussen landen)

- de samenstelling van het cohort (het onderzoek, welke patiëntencategorie is onderzocht)

- het geslacht? (de studies geven wisselende resultaten over of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen)


De prevalentiecijfers kunnen daarom erg wisselen. Globaal worden de volgende cijfers beschreven, afkomstig van cijfers uit verschillende onderzoeken bijv. Beaver Dam study (blanken), Baltmore study (donkere mensen), Blue Mountans Eye study (blanken), Visual impairment project (blanken), Los Angeles Latino Eye study, Andhra Pradesh Eye studie (India), Sumatra study (Indonesie), Shihapai Eye study (Taiwan), Tanjong Pagar study (Singapore), National Survey (Bangladesh), Mongolia study, Beijing Eye study (China) en Tajimi study (Japan). De leeftijd van de bevolking in deze onderzoeken zijn gemiddeld >=40 jaar.


    * myopie (bijziendheid, min-bril)

          o groter dan -0.5 D: 15-42% (meest voorkomende frequentie bij blanken en aziatische landen: 20-30%)

          o groter dan -1.0 D: 13-30% (meest voorkomende frequentie: 15-20%)

          o groter dan  -5.0 D: 3-8%

          o groter dan -6.0 D: 1-5% (meest voorkomende frequentie: 1-3%)

    * hypermetropie(verziendheid, plus-bril)

          o groter dan 0.5 D: 30-60% (bij blanken: 45-60%, bij aziaten: 27-35%)

    * astigmatisme (cylindrische afwijking, dwz het oog is niet rond maar heeft een ovaalvorm

          o van  > 0.5 D: 20-60% (bij blanken zijn de cijfers niet bekend)

          o van > 0.75 D: 40% (resultaten uit 2 studies: Blue Mountain, Sumatra)

    * anisometropie (brilsterkte-verschil tussen het linker en het rechter oog)

          o van > 1.0 D: 10-24%


Veranderingen van de refractie in de loop van het leven


Emmetropisatie:


De immature (in ontwikkeling zijnde) ooglens ontwikkelt zich dusdanig dat de refractie-afwijking vermindert in de loop van de ontwikkeling (kinderleeftijd). Dit wordt emmetropisatie genoemd (emmetropie = geen brilsterkte nodig, geen refractie-afwijking). Het mechanisme is niet precies bekend maar kennelijk verandert de hoornvlies- en lens-sterkte bij een groeiend oog (aslengte neemt toe).


    * Pasgeborenen zijn vaak hypermetroop (verziend), soms emmetroop (geen brilsterkte).

    * Babies met een milde hypermetropie worden in de loop van de jaren vaak emmetroop (brilsterkte =0) of zelfs licht myoop (bijziend). Bijvoorbeeld, kinderen van 5-6 jaar met een hypermetropie tussen de +0.5 en +1.25 D hebben de meeste kans op emmetropie (0 D) op de leeftijd van 13-14 jaar. Kinderen met een hypermetropie van < + 0.5 D neigen meer tot een geringe myopie op 13-14 jarige leeftijd.

    * Babies met een sterke hypermetropie blijven vaak hypermetroop of worden soms sterker hypermetroop in de loop der tijd.

    * Myopie (verziendheid) bij babies komt veel minder vaak voor. De myopie neemt meestal toe. Kinderen die myoop zijn op een leeftijd van 5-6 jaar neigen meer myoop te worden op 13-14 jarige leeftijd.

    * Astigmatisme bij babies wordt door emmetropisatie vaak minder. Kinderen met een astigmatisme "tegen de regel" (d.w.z. het hoornvlies heeft een vorm van een staande rugbybal) neigen in de loop der tijd een astigmatisme "met de regel" te ontwikkelen (een liggende rugby-bal). Het astigmatisme blijft vaak < 1 dioptrie. Astigmatisme bij kinderen met "astigmatisme met de regel" of met een "schuine as" lijkt niet in een specifieke richting te gaan ontwikkelen.

    * Anisometropie (verschil in brilsterkte tussen beide ogen) neemt vaak toe op kinderleeftijd.


Op oudere leeftijd


In de loop van het leven kan de brilsterkte bij normale, niet zieke, ogen enigszins wijzigen (volgens de Beaver Dam studie, Blue Mountains Eye studie en Reykjavik Eye studie). Dit is een natuurlijk proces. De frequentie van brekings- of refractieafwijkingen is sterk afhankelijk van de leeftijd.


Enkele voorbeelden (BDS = Beaver-dam studie 1994):

In de leeftijdsfase van 43 tot 54 jaar was de verdeling als volgt:

- hypermetropie (verziendheid): 22.1%

- myopie (bijziendheid): 42.9%

- emmetropie (geen brilsterkte): 35%


In de leeftijdsfase van 55 tot 64 jaar of oudere categorieen was de verdeling als volgt:

- hypermetropie (verziendheid): 50.2%

- myopie (bijziendheid): 25.1%

- emmetropie (geen brilsterkte): 24.7%


Tussen de 30 en 65 jaar kan het oog iets meer verziend (sterkere plus-bril of hypermetroop) worden: gemiddeld bedraagt deze toename in de plus-sterkte ongeveer 0.12 tot 0.19 dioptrie per 5 jaar (tussen 45-55 jr is dit iets hoger, nl 0.15-0.40 dioptrie voor elke 5 jaar). De oorzaak hiervan is nog niet duidelijk. Factoren die een rol kunnen spelen zijn:


    * een latente hypermetropie (een daarvoor al bestaande, maar onopgemerkte verziendheid)

    * een verandering in het brekend vermogen van de eigen ooglens (verandering van de refractie-index)

    * een verandering van de lenspositie

    * een verlenging van aslengte (niet het geval in de Reykjavik studie)

    * een vermindering van de kromming van het hoornvlies

    * onbekende factoren, bijv. omgevingsfactoren (socioeconomisch), cohort-verschillen (de verschillende selectie cirteria van individuele studies), het accommodatieve vermogen die een rol kan spelen bij jongere personen


Mensen met een myopie (bijziendheid)


De prevalentie verloopt bimodaal bij ouderen , dwz de bijziendheid neemt eerst in de loop van de jaren af en neemt hierna op hogere leeftijd (vanaf het 65e - 80e levensjaar) weer iets toe.


Mensen met een hypermetropie (verziendheid)


De prevalentie van verziendheid neemt in de loop van de jaren toe. Dit zou veroorzaakt kunnen worden door bovengenoemde factoren (zie b-e).

(Echter, enkele studies laten een geringe afname zien van de verziendheid op hoge leeftijd (>75-80 jr), maar dit wordt meestal veroorzaakt door beginnende staarvorming).


Mensen met een astigmatisme (cylindrische afwijking van het oog)


Bij astigmatisme is het brekend vermogen in de ene richting anders dan in de richting die er loodrecht op staat. Het totale brekend vermogen wordt bepaald door het hoornvlies en de ooglens.

De prevalentie van het totale refractieve astigmatisme neemt toe met de leeftijd. Deze veranderingen zouden tot stand kunnen komen door een verandering van de hoornvlieskromming (corneaal astigmatisme) en/of van de lenskromming (lenticulair astigmatisme). Welke factor het belangrijkste is, is niet geheel bekend. Er is een trend van een "astigmatisme met de regel" naar een "astigmatisme tegen de regel".


Uiteraard kan de brilsterkte veranderen door allerlei oogziekten.

Onderstaande informatie is een bewerking van een deel van de uitstekende website www.oogartsen.nl

Oogheelkundig Medisch Centrum Amsterdam