In de onderste helft van het schilderij zien we Maria in het midden zitten, direct onder haar ouders Anna en Joachim. Haar plaats zo dicht bij haar moeder doet sterk denken aan het populaire devotiebeeld van de Anna te Drieën. Maria's draagt traditioneel een blauw gewaad, de kleur van de hemel. In het hele schilderij is zij de enige vrouw met loshangend haar als symbool van haar maagdelijkheid: alle anderen hebben hun haar bedekt, zoals getrouwde vrouwen betaamde in de Middeleeuwen. Maria heeft ook een bloem in haar handen, waarschijnlijk een anjer: dit was een populaire nieuwe bloem in deze periode en hij is vaak terug te vinden in laat-middeleeuwse portretten. Hoewel alle figuren in dit schilderij op de grond zitten, is het in de Maria-iconografie een traditioneel symbool voor haar nederigheid of humilitas: middeleeuwse auteurs geloofden dat dit Latijnse woord etymologisch af te leiden was van het Latijnse woord humus, dat "aarde" betekent. Het Christuskind staat in zijn moeders schoot, gekleed in een wit gewaad dat tot op zijn knieen valt. Zulke kleedjes waren het typisch middeleeuwse kledingstuk voor peuters na de eerste inbakerfase: de witte kleur is daarnaast het symbool van reinheid en onsculd. De kleine Christus draait zijn hoofd om naar zijn stiefvader Jozef, die in aanbidding neergeknield lijkt te zijn met zijn rechterhand opgeheven. Jozef is afgebeeld als een oudere man met baard, en vormt hierdoor een schril contrast met zijn veel jongere echtgenote Maria: zijn ouderdom diende om de maagdelijkheid van Maria te bevestigen. Het in groen leer ingebonden boek dat aan zijn riem hangt, benadrukt wederom de religieuze symboliek van het boek in dit schilderij.